Leestijd: 2 minuten

Ik verlaat het vliegveld, op zoek naar een taxi en word meteen getrakteerd op een klap in mijn gezicht. Niet van een boze taxichauffeur of een mens überhaupt. Maar van het verschil tussen de koele droge vliegveldlucht en de warme bedwelmende buitenlucht. Of wellicht is een hele grote aanhoudende warme scheet in je gezicht een betere omschrijving. In ieder geval was het weer weer even wennen. Net als de snelweg, waarop ik in een taxi gereden word naar mijn hostel, de snelweg die logica en vooral ook lijnen ontbeert. Je mag vanalles hier, gewoon doorrijden. Het hostel is chill. Het is een uurtje of 10 en nog steeds een graad of 30. Ik besluit een douche te nemen en bij wat mensen te gaan ouwehoeren in het hostel. Als we even naar de 7/11 (Seven Eleven) gaan voor een biertje, een yakult en wat water, sijpelt weer binnen waarom ik zo van Thailand houd. Het zijn de kleine dingen. En die zijn hier zo ontzettend veel. Als je in een straat alleen maar bewust gaat observeren, veranderen je uren in minuten en je dichte mond in een open ovaal gapend gat.  Fascinerend is het. Op een terras op Kao San Road bijvoorbeeld. Links zit een man te bedelen om geld. Daarachter een Indiër die een pak probeert aan te smeren aan wat Engelse toeristen. Dit doet hij vanuit een kraampje waar ook T-shirts verkocht worden door een ander. Er lopen toeristen (ik denk Engelse) langs die lastig gevallen worden door een opdringerige tuktuk-chauffeur die hen óf ergens heen wil brengen naar wens, of een pingpongshow aan wil smeren. Dit is te merken aan de plopgeluiden die hij maakt. De toeristen negeren het wijselijk. Er loopt een dikke Engelse vent met een klein tenger Thais meisje hand in hand en ik heb een negatief oordeel. Dit oordeel wordt op de een of andere manier minder negatief als ik zie dat ze gevolgd worden door twee kinderen van een jaar of tien en twaalf, die duidelijk van hen zijn. Dan zal het wel meer zijn dan sekstoerisme alleen. De zwerver links krijgt een paar baht die hem duidelijk gelukkig maken. Dat is te zien aan zijn tandloze lach en ogen die veranderen in streepjes. Achter me hoor ik muziek, maar aan de overkant ook, en links, en rechts. En alles staat hard. Dus ik hoor een prachtige mix van Ni**az in Paris, Highway to Hell, de Macarena en I Took a Pill in Ibiza. De beats lopen dusdanig door elkaar dat je eigenlijk niet uit de maat kan dansen. Mensen staan op willekeurige plekken dan ook vooral zeer willekeurig los te gaan. Het bruist van gezelligheid. Ik draai mijn hoofd en schrik van een zilveren plaat met gefrituurde schorpioenen die onder mijn neus worden geduwd. Ik schud nee. Ik schud nog een keer nee. En nog een keer, driemaal scheepsrecht blijkt. De man loopt door. We (ik en een paar mensen uit het hostel waar ik aankwam) besluiten te gaan. Onze flessen Chang nog halfvol maar dat maakt niet uit, die nemen we gewoon mee. Even naar een iets rustiger terras. Waar we het resterende uit onze flessen sippen en genieten van de nooit koud wordende atmosfeer en de jonge avond die net gevallen is. Kijken wat de nacht brengt. Heerlijk.

Categorieën: Reisverhaal