Leestijd: 4 minuten

Wij doen het ter vermaak. Voor ons plezier. Om wat van de wereld te zien. Om Vietnam te ervaren zoals Vietnam ervaart moet worden. Voor de lokale bevolking is het rijden van een scooter pure noodzaak. Een vervoersmiddel om naar werk, vrienden of de bakker en terug te rijden. We zijn goedgezind en hebben er zin in. we gaan onze weg maken van Phong Nha naar Hué. Onze vorige rit was met zijn 7 uur, 400 kilometer, en dus een gemiddelde snelheid van ongeveer 57,14 kilometers per 60 minuten een doordenderend succes. Ook de bijna 7 zonuren en de witte wolken die de blauwe lucht beschilderden waren medeplichtigen in de zaak genaamd ‘ontiegelijk aangename rit’. Heerlijk. Vandaag hebben we een kort ritje. 180 kilometer. Met z’n vieren. Fijne wegen, een makkelijke route, en omdat we de 180 km toch stiekem tot de 400 verhouden zijn we voor ons gevoel al halverwege. We starten de rit dan ook pas in de loop van de middag. Een helse rit. Het is geen Elfstedentocht of een zware bergetappe in de Tour de France, maar heftig is het wel. Acht uur, vijf breakdowns en een ongeluk later vinden we onszelf terug op een stoep op 50 km afstand van plaats van bestemming. In zak en as. En precies zoals de clichés in slechte romantische komediefilms ons hebben geleerd als het niet meer erger lijkt te kunnen begint het nu, voor de 34ste keer deze dag, te plenzen. De schitterende witte wolken zijn verandert in donkere, boosaardige teringlijers met een slecht humeur dat ze graag met ons delen. Het doet ook wat met je humeur. Regen is gewoon altijd vervelender dan zonnestralen. Maar wat doe je op het moment dat je je met je ziel onder je armen afvraagt waarom je Vietnam ook alweer op een scooter doorkruist? Lachen. Gieren. Brullen. Ik begin ermee, waarna de andere 3 volgen. We zien er allemaal de humor van in. De ene lacht nog harder dan de ander. De 3 met ons wachtende Vietnamezen steken we ook aan en daar zitten we dan. Met zijn zevenen op een stoep in het donker langs een snelweg in een stortbui, wachtend tot mijn scooter een keer gemaakt wordt. Te schaterlachen. Het verandert helemaal niks aan de feitelijke situatie, maar het vergoelijkt het gevoel. Het is ook logisch dat een toegelachen situatie veel minder ernstig lijkt dan een situatie waar je huilend bij de pakken neer gaat zitten. Uiteindelijk brengt de taxi ons verder en halen we de volgende dag mijn volledig herstelde scooter op. Hué is leuk. We bezoeken een verlaten themapark en ‘The Forbidden City. Tussen de bedrijven door blijft er ruimte voor een bier of twee. 3 dagen later stappen we weer op de scooter. Met een grote groep en goed weer aan onze zijde doen we de door Top Gear gepopulariseerde Hai Van Pass naar Hoi An. Een bergpas die met zijn slangenspoor bergen en oceaan van elkaar scheiden. De afbeeldingen op Google zijn veel mooier dan mijn foto’s dus ik heb er niet te veel gemaakt. Maar ik heb middels de lenzen van mijn ogen weer flink wat visuele orgasmes mogen ervaren. Het maakt ook meteen het gevoel wat we overhielden aan de laatste rit weer goed. In Hoi An verblijven we in een geweldig hostel. Een zwembad mooier dan ik ooit heb gezien, prachtige kamers, leuke mensen, het strand op 5 minuten, het centrum op 7 minuten en nog meer leuke mensen. We betalen 10 dollar per nacht en dat is veel. Ik laat een pak passend maken, pas hem de volgende dag en hij past; waarschijnlijk omdat hij passend is gemaakt. Ik stuur dat ding naar huis en ’s-avonds bouwen we een feest. Als we na een mooie avond terug willen keren naar ons hostel hebben we een minder fijne ontmoeting. Een ontmoeting met kleine, gore, handtastelijke onderkruipsels. Motorfietsratjes. En dan ben ik beledigend jegens de rat. Als we de taxi instappen om huiswaarts te keren, omsingelen zo’n 15 van deze ploerten op scooters de auto. De chauffeur kan niet rijden. De chauffeur wil niet rijden. En ik weet het niet zeker, maar ik krijg het gevoel dat de beste man ook niet durft te rijden. Daarmee is het eerste moment in Zuidoost Azië dat ik me bedreigd voel een feit. Het ventje, dat 12 lijkt, onder de tattoos zit en het meest tegen de taxichauffeur aan het roepen is, doet me denken aan toen ik 25 jaar geleden geboren werd. Ik denk dat mijn ouders in overleg met de dokter besloten hebben om het nageboorte niet in een pot voor het raam te zetten, maar naar Vietnam te sturen, een kut karakter te geven en op een scooter te zetten. Daar staat ie dan, vol trots met zijn kleine armpjes te zwaaien en te schreeuwen dat we uit moeten stappen. De onwetendheid omtrent het aantal vlindermessen dat mogelijk in zijn binnenzak zit, gecombineerd met het feit dat het te ver is om te lopen, doet ons gehoorzamen. De labiele debielen rijden als idioten en op het moment dat we opstappen begint het te regenen. We betalen na aankomst 6 keer zo veel als we voor de taxi kwijt geweest zouden zijn maar we zijn terug. Sommigen duiken in het zwembad. Sommigen drinken een bier, aangeboden door de beveiliger die het verhaal van de motorfietsratjes begrijpt. De man is lief. Buiten stopt de regen niet voordat ik in slaap val, wat iedereen achteloos accepteert. Het is niet gek. Ze noemen het niet voor niks regenseizoen.

Categorieën: Reisverhaal