Leestijd: 3 minuten

De hemel die de laatste 20 kilometer van de rit naar Saigon met al haar natte glorie naar beneden komt getyft geeft onze gehele rit door Vietnam een passend einde. Sommigen beweren dat God dan naar beneden staat te zeiken. Ik ben niet gelovig, maar als dat zo is, dan wil ik hem vragen minder water te drinken en bedanken dat hij de asperges laat staan, want wat heeft hij ons onder gezeken de afgelopen weken. Gelukkig heeft hij ook een föhn en een gloeilamp die hij nogal eens gebruikte, wat het geheel tot een zeer aangename levenservaring heeft gemaakt. Een dag nadat ik aankom in Saigon, bezoeken we het oorlogsmuseum. Veel foto’s laten een beeld van de oorlog en zijn nasleep zien. ‘Waarom?’ Blijft zich herhaaldelijk in mijn hoofd afspelen als ik de gruwelijkheden en het verderf zie. Van Amerikaanse soldaten die poseren met afgehakte hoofden van vrijheidsstrijders, tot de welbekende foto van het naakte meisje dat huilend op de vlucht is voor napalmbommen. Oorlog. Ik zou er niet goed in zijn, maar ik ben er ook niet mee opgegroeid of ingeduwd. En het is vrij onmenselijk om dan goed te zijn is iets waar dood de bedoeling van is. Apart vind ik het als ik erover nadenk dat ik vooral bezig ben met ‘gelukkig zijn’ of althans dat proberen. Als je dat afzet tegen degenen die hier op straat leven, of die 14 uur op een dag in een winkeltje van vier vierkante meter hun spullen willen verkopen, of tegen degenen die uitgezonden worden naar de andere kant van de wereld met in hun bloed gepompte haat en de bedoeling om een ander ras uit te moorden dan is dat nogal een contrast. Een contrast dat me verdrietig en blij maakt tegelijkertijd. Verdrietig omdat er een hele hoop mensen zijn die het niet zo goed hebben. Blij omdat ik besef hoe goed ik het heb. Je zou je bijna schamen als je terugdenkt aan de dagen dat je ‘geen zin had om de tafel af te ruimen en je liever buiten wil gaan spelen omdat de rest al aan het voetballen is op het pleintje’. Dit is weer te troosten met het feit dat alles relatief is, op dat moment hadden de vriendjes op het plein het gewoon even beter. Concluderend: de wereld is oneerlijk verdeeld, en het beste ervan proberen te maken is het beste wat je ervan kan maken. Het beste ervan maken is letterlijk wat de Vietnamezen deden tijdens de Vietnamese oorlog. Jarenlang leefde ze in tunnels om ongezien te blijven voor de Amerikaanse G.I.’s en zodoende de oorlog te overleven. Ik weet dit na een bezoek aan de Co Chi tunnels vlakbij Saigon. De volgende dag verlaat ik Vietnam voor Cambodja. Dit is voor mijn gevoel het einde van een tijdperkje. Anders dan Thailand en Laos, waar ik respectievelijk meer vakantie vierde, of ‘gewoon even was’, heb ik het idee dat ik Vietnam echt door en door heb meegemaakt. De zeven en een halve week die ik er heb doorgebracht en het feit dat ik dit voor een groot deel met de scooter heb gedaan hebben me het land doen ervaren tot op het bot. De stranden, unieke gebergten, zandduinen (waar ik quad heb gereden), de kleine onbegane wegen en dorpjes, de natuur, de metropolen, en vooral de lieve, behulpzame, goedlachse en van het leven genietende mensen (uitzonderingen daargelaten). Doei. Het genoegen leek vooral aan jullie zijde, maar dat is schijn. Misschien keer ik er weer eens terug. Tijd om verder te gaan. Naar Cambodja, Phnom Penh. Dat van ‘het beste ervan maken’ waar ik het zojuist over had gaat niet op voor een hele hoop Cambodjanen in de jaren 80. Dit besef ik als ik gevangenis S21 bezoek. Waar mensen gemarteld en vermoord werden als ze enige vorm van educatie of kennis hadden of toonden. Als je een bril droeg was je de lul. En niet alleen jij, maar je vrouw en al je kinderen ook. Gewoon om er zeker van te zijn dat niemand wraak kon nemen. De Killing Fields die we later bezoeken brengen de dag naar een ultiem dieptepunt. Het zijn massagraven, waar door de regen heden ten dagen nog steeds overblijfselen van mensen boven komen drijven. Van alle regen die er de afgelopen maanden gevallen is blijkt het vandaag de grootste kwelgeest. Mijn hart slaat over op het moment dat we een schedel zien drijven. Dit gebeurt weer als we langs de ‘killing tree’ komen; een boom die werd gebruikt om zo goedkoop, snel en geluidloos mogelijk baby’s te vermoorden. Dat is hoe ongelooflijk wreed en onbegrijpelijk onmenselijk dit stuk geschiedenis is. Ik heb die dag weinig gezegd. Hetgeen door me heen ging was de diepgewortelde plaatsvervangende schaamte die ik voelde voor het feit dat degene die dit een mens aan kon doen ook een mens was. Het is namelijk onmenselijk. Niet eens dierlijk zo barbaars. In de tuk tuk terug met mijn reismaat is het nog lang stil. Uiteindelijk zijn we het eens over het feit dat erbij stil staan het minste is wat we kunnen doen. Onze levens blijven leiden in plaats van lijden het meeste. Ik ben niet gelovig en zal dat ook niet worden. Maar stiekem hoopte ik toch dat deze slachtoffers een warm ontvangst in het hiernamaals te wachten stond. Voor de daders het tegenovergestelde. Amen.

Categorieën: Reisverhaal

1 reactie

Thea Kregting · 03 oktober 2016 op 3:42 pm

jee wat kun je goed verwoorden hoe je van het ene naar het andere heen en weer wordt geslingerd. Ik vind het herkenbaar en menselijk en snap de twijfel en de blijheid en de relativiteit. Goed en fijn geschreven Joep.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *