Leestijd: 3 minuten
Het lijkt dun. Het voelt dun. Als water. Niet eens smeuïg. Het spetterende geluid bevestigt dat het voedsel dat ik een half uurtje geleden gegeten heb, allesbehalve solide mijn lichaam weer verlaat. Diarree. Reizigersdiarree. Een anale loopneus. Ik noem het spetterpoep. Vanwege voor de hand liggende redenen. Je krijgt er sowieso wel één, en waarschijnlijk meerdere keren mee te maken tijdens zo’n reis. Omdat het de zesde keer is dat ik vandaag van onderuit huil besluit ik er toch maar een loperamide in te gooien. De spreekwoordelijke kurk in mijn reet. De maaltijd erna blijft langer binnen. Ik ben inmiddels terug in Luang Prabang om nog een paar dagen te chillen terwijl ik wacht op mijn vlucht naar Hanoi. Ik loop een rondje in mijn eentje om de buurt een beetje te verkennen. Een varkenshoofd, vliegen, een gouden tempel, levende koeien, een straatkapper, tuktuks, ladyboys zittend voor een massagesalon. Kippen, een handvol toeristen, volle afvalzakken, een georganiseerd ogende chaos van streetfoodkraampjes, gehurkte mensjes, slapende kinderen en flink wat zon vormen het straatbeeld. Ik ben ongeschoren, draag een zwembroek, een hempie, slippers en zie eruit als een zwerver. Ik voel me rijk maar niet rijker. Ik gedraag me goed en uit me simpel. ‘Sabaidee’. Ik voel me levend. Niet levend als het tegenovergestelde van dood. Maar levend alsof de seconden op dit moment het wegtikken waard zijn. Je hebt van die momenten. Ik steek een zebrapad over. Ook al voegt dat zebrapad niks toe. De zebrapaden hier zijn namelijk net zo nuttig als een stoeptegel in de woestijn. Neergekwakt met het idee: ‘hier kan je overheen lopen. Maar je kan eigenlijk net zo goed ergens anders oversteken. Het enige verschil is namelijk helemaal niks. Iedereen rijdt toch gewoon door.’ Gewoon opletten dus als je je graag levend wil blijven voelen. Die avond drinken we met drieën een drankje. Twee Israëliërs en ik. Fijne mensen. Naarmate de avond vordert komen er steeds mensen ons vergezellen. Uiteindelijk gaan we met een man of tien van de chille ‘hang-out’ naar een lokale club. Het is vrijdag, dus de locals gaan ook uit. Bij de club aangekomen besluiten we dat de helft van ons bij de tuktuk wacht terwijl de andere helft bekijkt of het iets is. Na een kleine vijf minuten komt één van de drie Duitsers naar buiten en schreeuwt in al zijn enthousiasme vanaf een meter of vijftig ‘ZIES IES FACKING AWESOME!!!’ Mooi. Wij naar binnen. Des te meer we het gebouw naderen, des te harder het gebonk wordt. De portier trekt de zware deur open en het doffe gebonk verandert in een muur van geluid. House/techno muziek. We lopen een gang in en ik verwacht om de hoek een tafereel met uitzinnige mensen, overvolle dansvloeren en een trotse dj. Het enige wat klopte was de trotse dj. Hij was ook de enige uitzinnige en de enige op een dansvloer. De rest van de grote zaal stond vol met statafels, gevuld met flessen bier of buckets mixdrank en omringd door drinkende Laotianen. Drinkend. En enigszins heupwiegend. Meer kan er niet af, ook al worden ze overspoeld door een denderende muziektsunami. Het klopt niet. Dit vinden wijzelf ook en even later gaan er van de vijfhonderd mensen toch minimaal tien los. Wij. We krijgen een aantal Laotianen om ons heen geënthousiasmeerd en ze beginnen mee te dansen. Anderen kijken ons veroordelend aan, maar dat maakt niet uit. Een paar uur later sluit de kiet en lopen we met een hoop kleine, zatte mensen naar buiten. Tegenover de club is wat streetfood te vinden en de eerdergenoemde Duitser zegt honger te hebben als een paard met wagen, dus we nemen plaats. Een oude Laotiaanse man komt naar ons toe en biedt ons tegen een kleine vergoeding wat Lao Lao Whisky aan. Lao Lao Whisky is zelfgestookte, lokale whisky. We nemen met z’n allen een shot. Verschrikkelijk. Ik kon altijd zeggen dat ik nog nooit spiritus op had. Nu kan ik alleen nog zeggen dat ik waarschijnlijk nog nooit spiritus op heb. Lao Lao Whisky. Of misschien dus spiritus met water. Ik zit op m’n kop in de tuktuk als we hostelwaarts keren. Met slapen heb ik geen moeite. Wat gek. De volgende dag sta ik op en creëer een magnifieke, vaste, solide, stevige, hevig dampende drol. Lopend naar het ontbijt maak ik een sprongetje van geluk en in mijn hoofd bedank ik de lieve oude man van vannacht die zo vriendelijk is geweest om met zijn zelfgestookte Laotiaanse spiritus al de slechte bacteriën in mijn maag en darmen te elimineren. Cheers old man.
Categorieën: Reisverhaal

1 reactie

t adventure · 08 augustus 2016 op 11:34 am

Wat een goede schrijver ben je toch al je verhalen amuseren mij en brengen me terug naar thailand! Ik zeg chapeau en ga zo door 😉

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *