Leestijd: 3 minuten
Een holy motherfucking shit-moment was het. We lopen in de jungle. Op eigen houtje. Over een smal bospaadje. Het is glad. Aal-in-een-emmer-snot-taferelen. De duizendpoot waar een reisgenoot op ging staan was een holy shit-moment. Middels een sprongetje, gepaard met een niet super mannelijk gilletje maakte ik dit kenbaar aan de rest. De spin ter grootte van een volwassen mannenhand, die zat te chillen in zijn web vlak naast het padje dat we afliepen was het holy motherfucking shit-moment. Geen sprongetje of gilletje, maar slechts een oprechte ‘Wow’ dit keer.  Met modder en zweet op plekken waar ik niet van had verwacht dat er modder en/of zweet kon komen, keren we heelhuids terug. Twee dagen later neem ik afscheid van Benjamin en Arnoldus, waar ik zo’n twee weken mee ben opgetrokken, en vraag me af of ik nog mensen tegen kom zoals die van wie ik afscheid neem. Dit antwoord is natuurlijk nee. Iedereen is uniek. Ik pak de bus naar Vang Vieng. Onderweg stoppen we even in een dorpje omdat er aan de weg wordt gewerkt. Daar rennen kinderen om krotjes heen. Tikkertje of zo, denk ik. Nog meer kinderen spelen giechelend in hun nakie met een waterslang. De ouderen giechelen niet. Zij kijken bedrukt, of nors, chagrijnig. Het verschil tussen jong en oud is groot. Alsof de kinderen nog over de naïviteit beschikken om het leven als een geschenk te zien en de ouderen dit met de jaren hebben verloren. Alsof ze op een dag beseften dat het povere leven dat ze leiden al uitgestippeld is en dat ze te oud zijn om naakt en giechelend met een tuinslang te gaan staan spelen. De kans bestaat ook dat een fijne kijk op het leven er ongeveer veertig jaren geleden door ons westerlingen uit gebombardeerd is. De norse blikken zijn dus vervelend maar logisch. Ik neem het de Laotiaan ook zeker niet kwalijk. Blijf glimlachen. De zeldzame glimlachjes die ik terug krijg geven genoeg genoegdoening. De weg is weer open. We vertrekken weer. Toeterend toeren we tussen kuddes koeien door, om kippen heen, vlak langs ravijnen en over smalle bruggetjes. De chauffeur kan flink toeteren maar mist rijvaardigheid en stampt af en toe zonder reden op de rem. Het feit dat je dusdanig in een busje gepropt zit dat je sardines in blik benijdt omdat zij al dood waren voordat ze ingeblikt werden, maakt het er niet beter op. Het uitzicht, dat met de kilometer mooier wordt pakt de hele kutzooi op en maakt er een draagbare rit van. Zes uurtjes. Veel voor Nederlandse begrippen. Niks voor Aziatische begrippen. Ik arriveer in een hostel. Goor voor Nederlandse begrippen. Perfect voor Aziatische. De vele Nederlanders in Thailand hebben zich verruild voor vele andere nationaliteiten. De volgende dag ga ik met een Engelse, twee Fransen, een Amerikaanse en drie Filipijnen tuben. Tuben is vet. Je huurt een tractorband, mikt jezelf in de Nam Song-rivier en wordt op verschillende plaatsen binnen gehaald door kroegen waar je bier drinkt. Ideaal. Onveilig hoor ik u denken? Misschien. De doden – vooral veroorzaakt door drugsgebruik resulterend in overmoed en idiote streken – in de afgelopen jaren hebben ervoor gezorgd dat het goed gereguleerd is. Ik blijf bij ‘I can get anything I want in Amsterdam’ en geniet van een biertje in de zon bij de eerste bar. Later, als we een minuutje of 10 in de 2e bar zijn, komt er een dik donker wolkendekbed over de nabijgelegen karstberg (prachtig die dingen, zoek maar op) gerold. Tien minuten later barst de hel los. Weer tien minuten later sta ik met zo’n zeventig mensen van over heel de wereld te dansen in stortregen. De sfeer is geweldig. Alsof de regen zich manifesteert als collectieve vijand en je hem alleen kan verslaan door allemaal tegelijk compleet los te gaan. Anderhalf uur gaat het los. De hemel. En wij. Omdat de rivier tekeer gaat en de temperatuur gezakt is, wordt er geadviseerd een tuktuk terug te nemen. Doen we. Een paar keer uit wat modderpoelen duwen later zijn we terug. Die avond is er een feest in het hostel vanwege het eenjarig jubileum. Die dag word ik twee keer dronken. De nacht sluit ik af met een baguette gevuld met van alles van ‘de Laotiaanse Joe op de hoek’. Een man die de hele nacht heerlijke crêpes en baguettes bereidt voor de dronken toerist. Ik probeer mijn bed nog te raken voordat ik slaap, maar faal hier tot mijn genoegen met vlag en wimpel in. Het leven in Vang Vieng is een feest, je moet alleen zelf je tube huren, je hostel uitzoeken en je baguette bestellen. Cheers.

Categorieën: Reisverhaal