Leestijd: 5 minuten

Het is zaterdagmiddag en ik loop over straat richting een Kmart om wat nuttige rommel te kopen. Op een poster pronkt een man met een peuk in zijn bek. Een telefoonnummer en de tekst ‘report a tosser’ moet ervoor zorgen mensen een sigarettenweggooier aangeven. Klikspaangedrag op een poster. Klikspaangedrag dat bij mij van jongs af aan de kop in is gedrukt door mijn kleuterleraressen Dymph en Yvonne. Hier zijn er posters die het aanmoedigen. Ik vraag me af hoe hoog je op de nationale luldebahangerladder komt te staan als je dat nummer daadwerkelijk in je telefoon opslaat om het te gebruiken wanneer een buitensporige schoft zonder pardon zijn sigaret op de grond sodemietert. Daarbij, ga je hem dan staande houden met de uitleg ‘jij gooide net een sigaret op de grond dus jij gaat wachten tot de politie hier is.’ Ik kan er met mijn pet nog niet bij. Het brein achter deze marketingcampagne; een versufte betuttelende trut. Als een collega van me de volgende dag op werk verteld dat hij een boete van $80 heeft gehad omdat hij zomaar ineens plotseling ergens de straat overstak – jaywalking, ik wist van het bestaan af, maar ik heb er nooit echt verder bij nagedacht – breekt m’n klomp. Een klomp die vervaardigd is uit oude muffe kutten van die versufte betuttelende trutten.

In Kmart herken ik Hema. Maar dan groter, met meer zooi, met iets minder oude vrouwtjes die niet weten dat ze op zoek zijn naar iets wat ze niet nodig hebben, en een totaal ontbrekende odeur van zure worst die in witte hemdjes getrokken is. Australië doet me denken aan Amerika. Of althans de Kmart. Hema is Nederland. Kmart, een iconische keten in Australië, is groter, gekker en meer. En ik kan het niet met zekerheid zeggen want ik ben er nooit geweest, maar ik kan me voorstellen dat Walmart op z’n Amerikaans de spreekwoordelijke kroon van troep spant. Ik scan m’n artikelen, betaal met pas zonder pincode en zonder enig persoonlijk contact. Want tijd is geld, mensen zijn duur en contant geld is alleen maar onhandig. Later die dag schrans ik mijn diner bij McDonalds; de ervaring heeft mij geleerd dat schransen de enige manier is om bij het restaurant van de goudgele bogen je maal te verorberen. Bij de McDonalds bestel je op een apparaat, betaal je op een apparaat, en wacht je tot je bestelnummer verschijnt op – wellicht had je dit al verwacht – een apparaat. Een raar wezen gehuld in bedrijfskleding en een McDonalds pet geeft je dan je voer (niet een apparaat, al praat ze wel zo). Het schijnt dat je dan ‘dankjewel’ dient te zeggen dus dat doe ik. Na het ophalen van mijn bestelling kan ik zelf een plekje uitkiezen om het eten vervolgens net zo snel proberen op te eten als dat het bereid was. Iets wat vrijwel onmogelijk is omdat je je eten vaak binnen 3 minuten in ontvangst mag nemen, en als je het dan verorberd hebt, mag je je eigen rommel opruimen. In 2007 werd bekend dat McDonalds kinderen in China 16 uur per dag liet werken aan de productie van het speelgoed dat in een Happy Meal gestopt wordt. Welke oppermanager dat bedacht heeft moet samen met zijn veel te rijke vrienden in zijn veel te dure Rolls Roys vast om deze zieke ironie gelachen hebben. Naast dat feit heeft de keten de term ‘fast food’ gecreëerd en daarmee obesitas tot epidemie gebombardeerd. McDonalds is de meest succesvolle en winstgevende ‘restaurantketen’ ter wereld. Deze gedachten doen met het vertrouwen in de mens als meest sociaal wezen op aarde een beetje verliezen.

Een dag later vertoef ik een tijdje in een koffieshop. Ik denk dat menig Australiër de eerdergenoemde onpersoonlijkheid van de ketens van het snelle voedsel en de goedkope prullaria vervelend vindt. Wat de reden zou kunnen zijn dat de koffiebarren – die het moeten hebben van persoonlijk contact – zo succesvol zijn in Sydney. Het is de manier waarop de eigenaren je welkom heten. De manier waarop ze je je koffie voorschotelen. De manier waarop ze je de toevoeging van suiker afraden alsof ze je moeder of beste vriend zijn. De manier waarop ze oprecht (of niet, maar zo lijkt het) lachen als je een grap maakt. De manier waarop ze zelf grappen maken. En het gegeven dat apparaten hier alleen gebruikt worden om goede koffie te maken. Dit is het dagelijkse – of wekelijkse – contact met de werkelijkheid dat wordt bewerkstelligd door een simpele man of vrouw die goed is in sociaal contact en het bereiden van een kop koffie. Ik moet zeggen: in het snelle werkleven met de lange dagen en korte weekenden is het de 3 dollar extra waard die je neer moet tellen voor een plekje op een stoel, een met een aangename glimlach geserveerde bak pleur en rust in je kop. Hiermee herwin ik weer wat vertrouwen in de sociale kunsten van de mens.

Een klein etmaal later sta ik op deuren te kloppen. Deur aan deur verkoop. Het is een vak apart. Bijvoorbeeld omdat jij nu waarschijnlijk denkt aan die irritante gast die niet op wil houden met het stellen van vragen tot hij je een nieuw energiecontract, een lot voor een onbekende loterij of een maandelijks opzegbaar donateurschap op de kanker-, aids-, reuma-, of vluchtelingenhulpfonds heeft aangesmeerd. Ik houd van de baan. Ik houd van deze baan omdat je elke dag minimaal zo’n 30 nieuwe mensen van elke soort, maat en windrichting spreekt. Bijvoorbeeld hele lieve vrouwtjes die niet per se mee willen doen maar je wel al het lekkers en drinkbaars wat ze in huis hebben aanbieden. Of een man die niet van z’n bank komt en roept ‘who is that?’ ‘Joep from HelloFresh’ ‘ahh fuck off, sorry but have a good one mate.’ Heerlijk dat hij in die zin zegt dat ik op moet neuken, me tegelijkertijd een fijne dag wenst en me ook nog zijn ‘vriend’ noemt. Ook kom je Aziatische lachende vrouwtjes tegen die ‘no English’ grappig genoeg in het Engels kunnen zeggen. Of alleenstaanden die klaarblijkelijk niet genoeg vrienden hebben om hun complete levensverhaal aan uit te storten dus dat bij mij doen. Of random motels. Van die dodgy motels waarbij je denkt dat elke voortvluchtige misdadiger van Prison Break of Breaking Bad er verborgen zit en waar ongeveer 1x per maand een shoot out is, waar de muren met sperma behangen zijn en de nachtkastjes overwegend leeg blijven.

Naast het feit dat ik van deze baan houd, haat ik ‘m ook. Ik haat de baan op de dagen dat ik mezelf zie als die vervelende vent aan de deur. Als de huizen bijna tegen je zeggen dat je op moet rotten wordt het simpelweg moeilijk om aan de bewoners ervan iets te verkopen. Ik ben al zo vaak afgeblaft door waakhonden en irritante keffertjes, dat ik het monotone blafgeluid soms niet eens meer opmerk. Een beetje vergelijkbaar met het slapen-naast-een-treinrails-effect denk ik, dus dat is op zich niet zo’n probleem. Maar als je dan mensen ziet die die jou zien, maar doen alsof ze je niet zien, dan voel je je gelijkwaardig of minder dan die hond of die stoeptegel waar je op staat. Als dit toevallig op een dag is waarop ik een kater heb door het drinken van een excessieve hoeveelheid Goon de vorige avond, en de dag eindig met 0 sales, verlies ik de wil om deze baan te beoefenen.

Een midweek later, aan het eind van een slechte werkweek, raak ik mijn telefoon kwijt. Na 2,5 jaar – waarvan 4 maanden op vele plekken in Azië waarin ik vrijwel alle staten van soms mateloze dronkenschap met maten heb beleefd – heeft hij besloten om uit mijn handen te glippen en precies tussen een spleet in de planken van een steiger door de oceaan in te vallen. Ik verlies in broodnuchtere staat, op klaarlichte dag tijdens een food festival mijn telefoon.

Ik heb veel verloren deze week.

De zondag besteed ik aan het schrijven van deze blog, het verder bestuderen van mijn HelloFresh-pitch, het lezen van tips en tricks over deur aan deur verkopen, het skypen met geliefden en het gebruik maken van de fitness ruimte, de sauna en het zwembad. Ik voel me herboren.
Herboren voor een nieuwe week.

Een week om wat te gaan winnen. Geld bijvoorbeeld. En zelfvertrouwen. En mijn eigenwaarden. En geloof in de mensheid. Dat soort dingen.

Categorieën: Reisverhaal