Leestijd: 3 minuten

Onder de blauwe hemel en in de gouden zon speelt geen blikken harmonieorkest, maar sturen wij onze motorische vehikelen tussen de bergen door langs vergezichten en kleine dorpjes richting Sapa. Dit doen we terwijl we ongeleide projectielen met een hartslag die een gevaar op de weg vormen ontwijken. Honden. Lastige honden. Wij zijn aliens in de landschappen waar de ‘blanken’ nog onbekend zijn en geacht worden op commando te poseren voor selfies. Ik voel me als Brad Pitt. Een gevoel dat bestaat uit een combinatie van vereerd en gebruikt voelen. Vereerd omdat ze graag met me op de foto willen, gebruikt omdat het slechts mijn door mijn ras gekenmerkte uiterlijk is dat ze willen vastleggen. De goedlachse gezichten en tactvolle “thank you’s” verwerpen mijn verdere gedachten en laten me ervan genieten. Het is al met al slechts een prachtige positief geladen botsing van twee rassen. In het dorpje waar we overnachten op de route naar Sapa drinken we bier uit een fust op een kruk. Het is de avond voor ‘National Day’, de dag dat Vietnam onafhankelijk werd in 1945, dus bevinden we ons temidden van een hoop bier drinkende lokale bewoners. Later, als het plastic terras wat leeg gelopen is, komt er een veel te dronken Vietnamees in een Arsenel-shirt onze richting in gelopen. Een Engelse vriend waarmee ik ben is een fan en roept: “Heeey, Arsenaaal!” Wat de Vietnamees daarna allemaal uitkraamt is niet te verstaan. Het is Vietnamees en ik spreek geen Vietnamees, maar aan de reacties van de andere Vietnamezen te zien spreekt hij nogal onduidelijk Vietnamees. Er wordt wat gelald, hij zet zijn helm op, en na 2 minuten falen in het vastklikken van die helm laat hij dat voor wat het is en struint naar zijn scooter. Hij stapt op, roept nog iets wat erop lijkt te duiden dat hij zijn tong heeft ingeslikt en stuift slingerend weg. Hij heeft de hele 20 meter brede straat nodig. Het hele terras lacht erom. Wij ook. En de politiebeambte op het terras die geniet van een koude goudgele rakker ook. ‘Dan zal het wel goed zijn’. Die nacht slaap ik slecht. Bob, de hond van de homestay eigenaar, heeft besloten om een aaneengesloten nachtelijk concert genaamd ‘jank’ te geven aan eenieder die er geen behoefte aan heeft. Lastige hond. De volgende ochtend doet elke scooter het nog als we onze weg vervolgen richting Sapa. Aangekomen, blijkt het een pitoresk stadje in het midden van gebergten. Het is heerlijk. Al zorgen de 11-jarige meisjes die met een baby op hun rug om geld komen bedelen voor de nodige brokken in je keel. 2 toch hele fijne dagen later keren we met de bus (je scooter flikkeren ze dan gewoon in die bus) terug naar Hanoi. Daar ben ik nu, met wat uitstapjes tussendoor, al zo’n 3 weken te vinden. Ik ben in supermarktjes, een bikeshop, een hoop restaurantjes, verschillende hostels, een woonhuisje van iemand waar ik naar de wc mocht, een massagesalon op 3 hoog, een veel te klein toeristenkantoor waar veel te veel mensen werken, discotheken, barren en musea geweest. Het straatbeeld wat je op het begin hebt van een stad krijgt meer diepte omdat er ook een beeld gevormd wordt van wat er zich achter de voorgevels afspeelt. Alsof het geraamte van de straten wordt aangevuld met ingewanden in de vorm van de plaatselijke binnenhuisarchitectuur. Ik ben wel klaar met het lichaam dat Hanoi heet, dus gaan we ‘down south by bike’. Op naar Phong Na; een stadje 500 kilometer van Hanoi vandaan. Onze scooters vreten het asfalt als lunch en diner. Wij eten weinig door de hitte. Ik rammel. Op het moment dat elke kilometer langer lijkt te duren, onze scooters het asfalt steeds minder goed lijken te verwerken, en de schemering plaats heeft gemaakt voor pikdonker, besluiten we de rest van de kilometers voor morgen te bewaren en aan te meren in een minidorpje. Een lauwe douche later zitten we in een ‘restaurantje’. We worden uitgenodigd het vlees te keuren en te kiezen wat we op ons bord willen hebben. Niet de darmen, niet de lever, niet de borststukken, maar de poot met nagels verraden dat het een hond is die in pakweg 7 stukken de tafel decoreert. Ik bemerk een onsmakelijk, cultureel verschil. En onbewust gaan mijn gedachten niet richting de lastige honden van de afgelopen dagen, maar naar Fikkie, Pluto, en elke andere hond waar ik op jongere leeftijd een band mee had. Middels google translate communiceer ik dat we ‘allergisch zijn voor hond’, waarop hij: “Aaah, ok ok.. Chicken!?” uitschreeuwt. Wij: “Yes, chicken good!” Hij: “5 minute wait me!” Een ongelogen 5 minuten later horen we hoe de zojuist gevangen kip gedood en gevild wordt. Nog 5 minuten later zien we de man de kip in stukken hakken. Vers van de pers wordt de kip met hoofd, klauw, poot en al gekookt, gebraden en geserveerd. ‘Heerlijk.’ Al krijg ik er niks van weg. De opgesplitste en voorgekookte hond van eerder heeft namelijk mijn eetlust reeds door het smerige, met haar verstopte doucheputje gespoeld. Ik blijf rammelen.

Lastige honden.

Categorieën: Reisverhaal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *