Leestijd: 1 minuut

Ik schaak soms met een duif. Die duif kan er niks van. Hij claimt zelf van wel. En hoe harder hij het roept, hoe meer ik hem geloof – gek genoeg.

Elke keer dat ik met hem schaak win ik. Het begint ongeloofwaardig te worden wat hij roept, maar hij blijft roepen en claimen dat hij beter is in schaken dan ik. En als hij er net even beter voorstaat, roept hij dat het hardst. Zo hard dat omstanders even een kijkje komen nemen. Een schreeuwende duif is op zichzelf natuurlijk al best een aardige trekpleister.

En net op het moment dat het tij keert en dat hij het spelt dreigt te verliezen, spreidt hij zijn vleugels, paradeert hij met zijn borst vooruit over het schaakbord heen en schopt alle stukken van het bord af, claimend dat hij gewonnen heeft.

Ik scheld hem dan uit: ‘kutduif, je hebt helemaal niet gewonnen, ik was aan het winnen.’ Dan kruipt hij in de slachtofferrol en begint te snikken, waarop de omstanders partij trekken voor de duif. Logisch ook. Hij is zielig en klein en claimt altijd en onveranderd beter te kunnen schaken. Ook al stond ik er beter voor en win ik elke dag, omstanders zeggen dat de duif gewonnen heeft. Gevoelsmatig kan ik niet van hem winnen.

Die duif heeft mij geleerd dat je soms, heel soms, alleen kunt winnen door je verlies te nemen.

Mijn vader heeft me weleens verteld dat duivenborstjes erg lekker smaken.

Mijn vader heeft me geleerd dat je soms, heel soms, alleen kunt winnen door je tegenstander op de BBQ te flikkeren en dat winst goed smaakt met een beetje kruidenboter.

Mijn vader is een wijs man.

Categorieën: Verhalen voor op de pot

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *